Spring naar inhoud

Over de keuze tussen kunstvoeding en borstvoeding en (misplaatst?) schuldgevoel daarover.

13 mei 2010

Over de keuze tussen kunstvoeding en borstvoeding en (misplaatst?) schuldgevoel daarover.

Bron: Eurolac
De keuze van manier en soort van zuigelingenvoeding is een onderwerp dat sterk in de belangstelling staat. Het is dan ook een onderwerp waarbij persoonlijke aspecten van de ouders, gezondheidskundige aspecten van moeder en kind en maatschappelijke aspecten een rol spelen. De voeding die een kind in zijn eerste levensmaanden krijgt, is van zeer groot belang voor zijn verdere groei en gezondheid op allerlei vlakken. Toch overweegt de opvatting dat de keuze van zuigelingenvoeding niet meer is dan een persoonlijke voorkeur van de ouders. Indien zorgverleners nadruk leggen op de consequenties van de keuze die ouders maken, wordt hen al snel verweten dat zij ouders een schuldgevoel aanpraten. Maar is dit ook terecht?

Gezien vanuit biologisch, medisch en psychologisch perspectief biedt borstvoeding een kind de beste start in het leven en is dus voor baby’s de voeding van voorkeur. Baby’s die geen borstvoeding krijgen, hebben aantoonbaar verhoogde kansen op het krijgen van allerlei ernstige en minder ernstige ziekten en aandoeningen, waaronder sommige soorten kanker, wiegendood, diabetes, stoornissen in de spijsvertering, CARA, allergieën en middenoorontsteking. Kinderen die geen borstvoeding krijgen zijn vaker ziek en als ze ziek zijn vaker ernstiger ziek dan kinderen die wel borstvoeding krijgen. Dit verschil is dosisafhankelijk. Dat wil zeggen dat naarmate kinderen minder of minder lang borstvoeding krijgt, de negatieve gevolgen sterker worden. Sommige gevolgen van het niet krijgen van borstvoeding werken tot in het volwassen leven door. De redenen die genoemd worden door ouders voor het niet kiezen voor borstvoeding hebben eigenlijk nooit te maken met de gezondheid van het kind, maar hebben bijna altijd een sociaal-emotionele achtergrond. Dat wil zeggen dat men kiest voor kunstvoeding op grond van belangen van andere personen dan het kind en deze belangen zijn meestal niet te vinden op het gebied van gezondheid. Vrouwen die overgaan van borstvoeding naar kunstvoeding op een tijdstip dat vroeger is dan zij hadden gepland, doen dit meestal evenmin om redenen die gezondheid van de baby aangaan en ook meestal niet om redenen die gezondheid van de moeder betreffen. Hierbij gaat het meestal om problemen met de borstvoeding die niet opgelost worden, hoewel de meeste problemen met borstvoeding te voorkomen en oplosbaar zijn.

Indien deze redenaties worden toegepast op andere gezondheidskundige onderwerpen ontstaat een totaal ander perspectief. Zwangere vrouwen worden intensief begeleid en gecontroleerd tijdens de zwangerschap en tijdens de baring. De verloskundige of arts adviseert haar op grond van wetenschappelijke gegevens omtrent bepaalde leefregels tijdens de zwangerschap teneinde de gezondheid van de baby en de veiligheid van de baring zo veel mogelijk te garanderen. Zwangeren worden bijvoorbeeld gewezen op de risico’s van nicotine en alcohol voor de ongeboren baby (lager geboortewicht met bijbehorende risico’s, verhoogd wiegendood risico, foetaal alcohol syndroom). Of een zwangere na deze voorlichting wel of niet rookt of drinkt, is natuurlijk haar eigen keus. Haar gedrag wordt echter wel beoordeeld als risicovol en de arts of verloskundige zal haar daarop wijzen, zonder te vrezen de vrouw die ervoor kiest toch te roken of drinken daarover een schuldgevoel te geven. In de eerste levensmaanden en -jaren is er voor Nederlandse kinderen een zeer uitgebreid vaccinatieprogramma. Ouders worden voorgelicht over de redenen waarom inenting wordt aanbevolen en zij krijgen oproepen om met hun kind te komen om gevaccineerd te worden. Het staat ouders vrij ervoor te kiezen hun kinderen niet te laten inenten, maar hen wordt nadrukkelijk aangeraden deze beslissing te herzien om te voorkomen dat hun kind levenslang invalide blijft of eventueel zelfs sterft aan een te voorkomen besmettelijke ziekte. De artsen en verpleegkundigen die deze voorlichting geven, zijn kennelijk niet bang dat deze ouders een schuldgevoel opgedrongen krijgen.

Het zal door veel artsen, verloskundigen en verpleegkundigen als onethisch worden beschouwd om zwangeren en ouders van jonge kinderen niet voor te lichten over de consequenties van hun keuzen (zoals roken en drinken tijdens de zwangerschap en vaccineren van hun kinderen) voor de gezondheid van hun kinderen. Zij zullen zich niet laten weerhouden deze medische, verloskundige of verpleegkundige plicht tot goede voorlichting uit te oefenen op grond van de overweging dat cliënten die een andere keus maken zich wellicht schuldig zouden gaan voelen door deze voorlichting. Als het echter gaat om voorlichting over borstvoeding en de gezondheidsrisico’s van geen borstvoeding geldt deze schuldoverweging echter plotseling wel. Daaruit kan worden geconcludeerd dat zorgverleners er niet van overtuigd zijn dat kunstvoeding voor zuigelingen inderdaad een beduidend minder alternatief is voor borstvoeding. Vinden zorgverleners werkelijk dat de keus voor borstvoeding of kunstvoeding triviaal is en het niveau van de keus voor appelsap of sinaasappelsap niet overstijgt? Hun eigen wetenschappelijke literatuur vertelt echter duidelijk een ander verhaal. Sinds enkele decennia stijgt het aantal onderzoeken waaruit de minder goede uitkomsten blijken voor kinderen die geen of weinig borstvoeding krijgen. Ook de negatieve invloed van weinig of geen borstvoeding geven op de gezondheid van vrouwen wordt meer en meer wetenschappelijk onderbouwd, net als de gevolgen voor de maatschappij op het gebied van de volksgezondheid en de stijgende kosten ervan en op het leefmilieu.

Er bestaat inmiddels geen enkele twijfel meer: baby’s horen borstvoeding te krijgen en zorgverleners horen in die zin voorlichting aan ouders te geven. Zonder vrees voor het aanpraten van schuldgevoelens. Een schuldgevoel is iets dat uit het geweten van de mens voortkomt wanneer men willens en wetens dingen doet of keuzes maakt waarvan men weet dat deze onjuist zijn. Ouders die, op basis van volledige informatie en met afweging van alle voor hun gezin van belang zijnde factoren, ervoor kiezen hun kind geen borstvoeding (meer) te geven zullen zich daarover niet schuldig voelen. Zij namen een besluit dat voor hen juist was. Indien men een beslissing neemt op gronden die achteraf bezien onjuist of onvolledig waren (wat in het geval van de keuze voor zuigelingenvoeding helaas maar al te vaak voorkomt) zal men zich niet schuldig voelen. Wel kan er sprake zijn van verdriet (voor ongeweten aan het kind veroorzaakte schade), spijt (over het onvoldoende zoeken naar goede informatie) of boosheid (op zorgverleners en anderen die foute informatie gaven of ontoereikende begeleiding). Dit verdriet, de spijt en de boosheid kunnen voor een groot deel worden voorkomen door goed geschoolde zorgverleners die hun verantwoordelijkheid nemen voor zowel de advisering vooraf als de begeleiding tijdens de borstvoedingperiode.

Nog geen reacties

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.